Al ruim veertig jaar woont Leo Broekman in de Zuiderzeewijk. Hij zag de wijk veranderen en zijn kinderen er opgroeien, maar woont er nog altijd met plezier. Eén ding stoorde hem steeds meer: het zwerfafval. Dus besloot Leo zelf aan de slag te gaan. ‘Je kunt naar een ander wijzen, maar je kunt ook zelf iets doen.’
Toen Leo in 1984 met zijn gezin op Robbenzand kwam wonen, was de Zuiderzeewijk een fijne plek voor een jong gezin. ‘We hadden een groot huis en alles was dichtbij. De school, winkels, gezondheidszorg en het zwembad: je kon overal naartoe lopen.’ Ook het vele groen en de ruimte tussen de woningen spraken hem aan.
Ruim veertig jaar later woont Leo er nog steeds graag. En hij is niet de enige. ‘Er wonen hier mensen die hier al veertig, vijftig jaar of nog langer wonen. Zij hebben hun kinderen hier zien opgroeien en krijgen nu hun kleinkinderen over de vloer.’
Zelf iets doen
Toch ergerde Leo zich steeds meer aan het afval op straat en in het groen. ‘Op een gegeven moment dacht ik: ik kan me hier wel aan blijven storen, maar daar wordt het niet schoner van.’ Daarom trekt hij regelmatig zelf de wijk in om zwerfafval op te ruimen.
‘Als enkeling maak je misschien weinig impact, maar iets kleins kan wel verschil maken. Niks doen en verwachten dat de gemeente alles oplost, vind ik geen optie.’ Voor Leo gaat dat ook over het voorbeeld dat volwassenen geven. ‘We zijn met z’n allen verantwoordelijk voor de wereld waarin onze kinderen en kleinkinderen straks leven. We moeten ze leren dat afval op straat niet normaal is.’
Samen voor de wijk
In al die jaren zag Leo ook de samenstelling van de Zuiderzeewijk veranderen. Er kwamen nieuwe inwoners bij, met allerlei achtergronden. Volgens hem maakt dat het belangrijk om te blijven zoeken naar wat mensen met elkaar verbindt. ‘Uiteindelijk willen we allemaal prettig wonen en willen we dat kinderen hier fijn kunnen opgroeien.’
Initiatieven die mensen in de wijk bij elkaar brengen, kunnen daar volgens Leo bij helpen. Zelf draagt hij op zijn eigen manier bij. Zijn wens? ‘Dat schoon hier het nieuwe normaal wordt. Dat we met elkaar kunnen zeggen: kijk, wij kunnen het.’